HET BELEEFDE GENOT

hetbeleefdegenot.be
Home
   Fotogalerij
        Favoriete Boek


HET BELEEFDE GENOT vzw

 

Het favoriete boek

Foto: Kristof Dossche

Het favoriete boek van Els Vermeir

Els en hem

Wat een opdracht! Het lijkt haast even onmogelijk als een ouder te vragen zijn favoriete kind aan te duiden. Ik ben bezwaarlijk een boekenwurm te noemen, maar de weinige boeken die mijn strenge “vijfbladzijdentest” doorstaan, zijn dan doorgaans ook wel ZO goed dat ze gerust met zijn allen genomineerd kunnen worden. Wat te kiezen? Het ongemeen spannende, maar toch vooral ontspannende “Il Suggeritore” van Carrisi Donato? Een novelle van mijn grote voorbeeld, de cynische maar zo vertrouwde Pirandello? Of toch maar de heerlijke absurditeit van een Gide of een Kafka?

Eén boek laat zich onder geen enkele categorie rangschikken en is me al die jaren bijgebleven als een absolute hoogvlieger: “Io e lui” van Alberto Moravia. Het boek is in feite één lange conversatie tussen het hoofdpersonage Federico (“io” of ik dus) en zijn als het ware mens geworden seksualiteit (“lui” of hij).

Als twintigjarige studente in de ideale wereld van de universiteit vond ik het vooral hilarisch hoe het intellect van het hoofdpersonage ternauwernood (of niet?) het hoofd kon bieden aan de veelal idiote, maar o zo overtuigende argumenten van zijn seksuele aandrang. Nu, na jaren in een extreme machowereld te zijn ondergedompeld, zou ik er wellicht eerder de tragiek dan het komische van inzien.

Een lukraak, maar sprekend fragment, vrij vertaald:

“Hij” fluistert: “Hoest nog een keer. Als ze zich omdraait, toon je me.”

“Weet je wel wat je zegt?”

“Ik zeg dat je me moet tonen aan die vrouw.”

“Ben je gek?”

“Neen, ik ben niet gek. Doe wat ik zeg.”

“Maar ik wil niet!”

Totaal onverwachts rijst hij ineens op in al zijn furie. “Pas nog had je het over de schoonheid die een sublimatie op zich zou zijn. Maar ik ben veel meer dan dat. Ik ben de schoonheid van de wereld. Die schoonheid moet herkend, getoond, bewonderd worden. En jij, idioot, hoeft je daar niet voor te schamen, je hoeft ze niet te verbergen, je moet ze uitstallen in het licht van de zon. Maar er is meer. De schoonheid van de wereld, mijn schoonheid, moet aan iedereen getoond worden, maar vooral aan hen die er naar hongeren. Die vrouw hongert niet naar de dwaze schoonheid van jouw zogenaamd byzantijns meesterwerk, maar naar mij. Kijk maar naar haar kaalgeschoren hals, rood en vurig, dan begrijp en voel je het wel. Dus maak me niet kwaad, bevrijd me van de lastige wirwar die me verborgen houdt, laat me zien, stel me tentoon. Het is geen vraag, het is een bevel!”

Het angstzweet parelt me op het voorhoofd. Ik stamel: “Maar besef je wel dat we in de kerk zitten?”

“En dan?”

“Hoezo: en dan? In een heilige plaats, gewijd aan God.”

Hij raast weer: “Maar ik ben een god, meer nog, ik ben de enige god die echt bestaat in deze en gene wereld. Ik ben de oergod, de vader van alle vroegere, huidige en toekomstige goden. En deze kerk is in feite aan mij gewijd, want ik ben het leven, en kerken zijn gewijd aan het leven.”

Moravia zelf zegt met zijn boek een uiterst ernstig probleem aan te kaarten, zij het in een komisch kleedje: dat van de strijd tussen seksualiteit en de daaraan tegengestelde drang naar een artistiek, intellectueel, sociaal en menselijk doel. Een strijd die, veertig jaar later, nog steeds brandend actueel is

 

Foto: Bart Madou

Het favoriete boek van Herman De Leye

Cherchez la femme bij Herman De Leye

Tussen vier witte muren. De pijn: bitter en hard.

Ze klopt op de muur. Schreeuwt de naam tot de spiegel.

Ze moeten haar geliefde teruggeven. Het licht waarop ze wacht.

De strijd die ze opnieuw wil strijden.

Ontmoediging en blijven hopen.

Zich niet gewonnen geven.

 

En toch beseft ze dat ze in de ogen van de wereld voor altijd

de droevige echo van de geliefde zal blijven.

Driemaal gelezen (in het Frans…), driemaal de verfilming (met in de hoofdrollen Isabelle Adjani en Gérard Depardieu) gezien.

Dit moet wel één van mijn lievelingsboeken zijn.

 

Een prachtig voorhoofd boven wondermooie diepblauwe ogen.

Een mond, meer dan sensueel: fier. Heel lang donker kastanjebruin haar.

Mooi en groot. Zelfverzekerd, stralend van schoonheid en genie.

 

UNE FEMME van Anne Delbée vertelt het leven van CAMILLE CLAUDEL.

 

1883: Ze ontmoet als leerlinge Auguste RODIN (sculpteur, beaucoup plus âgé qu’elle, déjà très célèbre.).

Suivent quinze années d’une liaison passionnée et orageuse.

Jaren waarin ze elkaars beeldhouwwerken én leven innig en grondig beïnvloeden.

1898 : Rodin maakt een definitief einde aan hun relatie.

Ondanks een zeker succes, sluit Camille zich op in haar eenzaamheid

1913: Camille wordt geïnterneerd.

 

1943: Camille, 79 jaar, sterft à l’asile de Montdevergues, près d’Avignon.

 

Haar graf wordt nooit teruggevonden. Le reste est silence…

Brieven aan haar broer, mon petit frère, Paul (!), geschreven in het gesticht waar Camille 30 jaar opgesloten zit, wisselen af met het verhaal van een vrouw die maître Rodin voor zich alleen wil, die verlangt naar erkenning binnen het bastion van de mannelijke kunstenaarswereld zonder beïnvloeding van buitenaf.

 

Voor wie het musée Rodin ooit bezoekt, is het boek een aanrader.

Voor wie het museum al bezocht, ook : bij een volgend bezoek zullen de beeldhouwwerken van Camille en Auguste (eindelijk voor eeuwig samen…) met andere ogen en gevoelens bekeken worden.

1986: Op de eerste bladzijde van het boek schreef ik na het lezen: LA PASSION DE L’ART + L’AMOUR IMPOSSIBLE = LA FOLIE?

 

UNE FEMME van Anne Delbée verscheen in het Nederlands: CAMILLE CLAUDEL, EEN VROUW (vertaling door Michel Perquy) bij uitgeverij de Geus, Breda.

 

Foto: Bart Madou

Het favoriete boek van Marijke Verplancke

Marijke Verplancke treft nog eens de wereld aan

Bruce Duffy, De wereld die ik aantrof.

Deze roman van de Amerikaanse schrijver Bruce Duffy las ik al eens in 1992 en heb ik nu opnieuw gelezen, en ja, het blijft een heel fascinerende en ook zeer boeiend geschreven roman.

Het hoofdpersonage in deze roman is de Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein, een toch wel heel uitzonderlijke, Spartaanse persoonlijkheid die de lezer meteen weet te intrigeren. Duffy benadrukt wel in zijn voorwoord dat er inderdaad heel wat biografische elementen en historische personages, feiten dus, in zijn roman zitten, maar toch blijft het uiteraard fictie.

De roman is verdeeld in een proloog en vier boeken en volgt min of meer chronologisch het leven van Wittgenstein; toch gebruikt de auteur ook regelmatig flashbacks en in de proloog een flashforward , die het lezen alleen maar boeiender maken.

Wittgenstein heeft als zoon van een zeer fortuinlijke Weense industrieel een allesbehalve gemakkelijke jeugd. Hij krijgt net zoals zijn broers en zusters privéonderwijs,wordt door zijn vader gedrild om uiterst geconcentreerd muziek te beluisteren enz. Zijn heel dominante vader is ontzettend veeleisend voor zijn kinderen en twee van Ludwigs oudere broers kwamen in conflict met hun vader, verhuisden naar Cuba en pleegden daar zelfmoord. Het gemis van die twee broers weegt zwaar door op het gezin. Ludwig wou eerst ingenieur worden, maar uiteindelijk besluit hij filosoof te worden, zeer tegen de zin van zijn vader, die dit maar niets vindt. Zijn zus Margarete wordt naar aanleiding van haar huwelijk geschilderd door vriend Klimt en is een patiënte van Freud.

Zo komen we dus samen met Wittgenstein, die filosoof wil worden, in Cambridge terecht, waar hij een ongedurige pupil wordt van B. Russell. Deze mentor beseft al vlug dat de zeer zelfverzekerde, soms ook erg irritante en ongedurige Ludwig geniaal is en schrijft daar ook over naar zijn minnares Lady Ottoline. Zo komt de lezer volop terecht in het wereldje van de Bloomsbury’s met o.a. Maynard Keynes en Lytton Strachey. (Toverberglezers van enkele jaren geleden zullen zich zeker nog de memorabele reeks artikelen herinneren van Muriel Reyserhove over de Bloomsbury’s, een groep controversiëlen die me al lang boeit). Ook D.H. Lawrence is eventjes de gast van Lady Ottoline. Het is heel aangenaam om die historische personages ook eens te zien als personages in een roman. Al vlug blijkt dat Russell in zijn pupil een gelijkwaardige en later, een meerdere moet erkennen. In het voorwoord (flashforward) zijn ze regelrechte rivalen.

Wiitgenstein wordt ook een leerling van Russells medefilosoof G. Moore, een zeer goedaardige, beminnelijke man. Hoewel Duffy de relatie beschrijft tussen drie filosofen, blijft de roman heel goed leesbaar, want het aandeel filosofie blijft beperkt.

Na de dood van zijn vader voelt Wittgenstein wel een soort bevrijding. Hij trekt dan ook naar Noorwegen om er een heel teruggetrokken bestaan te leiden. Halsoverkop keert hij terug naar Oostenrijk - de Eerste Wereldoorlog is uitgebroken -  om zich bij het leger te voegen aan het Oostenrijks front in Rusland. De beproevingen in de loopgraven zijn niet niets voor de aristocratische Wittgenstein, maar tegen de verwachtingen van Russell en Moore in, overleeft hij de oorlog. De volgende fasen in zijn leven zorgen verder voor de nodige afwisseling en uiteindelijk een oorlog later, blijkt dat ondanks de pogingen van zijn grootvader en vader om de Joodse roots van de Wittgensteins uit te wissen, dit niet volledig gelukt is…

Aan iedereen kan ik het uitzonderlijke levensverhaal van Wittgenstein en de tragedie van zijn familie aanbevelen in deze versie, nl. nog altijd voor een groot deel fictie. De levendige portretten van historische personages als B. Russell, G. Moore, de leden van de Bloomsbury-kring geven deze moderne, historische roman een extra meerwaarde.

Bruce Duffy, De wereld die ik aantrof, 1991, WB Amsterdam, 553 p.

 

Foto: Bart Madou

Het favoriete boek van Guido Everaert

Guido Everaert telt de priemgetallen

Om te beginnen moet ik eerlijk toegeven dat dit nu wel niet mijn favoriete boek is, dan zou ik eerder opteren voor Japins ‘De Overgave’ of mijn echte lievelingsboek ‘De fatale kust’ van Robert Hughes, het epos van Australië. Helaas las ik die boeken in januari en herinner ik me beter het boek dat ik nu wil bespreken, nl. ‘De eenzaamheid van de priemgetallen’ van Paolo Giordano. Ik las het tijdens mijn vakantie in Kreta, neen, niet als poolliteratuur, maar zalig, rustig op ons groot terras en ik kon het niet meer wegleggen. De Nederlandse vertaling leest heel vlot, het zal dus wel goed vertaald zijn.

Ik heb het dus over ‘De eenzaamheid van de priemgetallen’, waarin de protagonisten wel niet eenzaam zijn, want ze zijn met z’n tweeën.

Vanaf  het begin weet de schrijver, P. Giordano, een natuurkundige (Turijn, 1982, die werkt  aan zijn promotie), of ik  moet zeggen de verteller de lezer  te fascineren en op te nemen in het verhaal. Hij geeft het denken van twee zevenjarigen weer.  Alice komt uit een rijke familie, de tweede protagonist Mattia, heeft een zwakbegaafde tweelingzus  en komt  uit een arbeidersfamilie.  In 27 bladzijden wordt het denken van de twee zevenjarige protagonisten voorgesteld. Je krijgt een mooie weergave van het gezinsleven en hun onderlinge verhoudingen.

Belangrijk is dat de twee protagonisten een zeer traumatische ervaring meemaken in hun prille kindertijd. Zo worden ze eenzaten, ‘eenzame priemgetallen’, teruggetrokken in hun schelp, nergens aansluiting vindend. Ze zijn eenzaam en worden soms gepest.

Op een dag ontmoeten ze elkaar en het wordt een complexe relatie van aantrekken en afstoten, een kat en  muisspel. We verhuizen naar hun tienertijd, die het grootste deel van de roman beslaat. De auteur beschrijft mooi hoe de twee priemgetallen of eenzaten elkaar door toevalligheden ontmoeten en hoe het telkens toch klikt door het trauma dat ze allebei meemaakten.

Alice begint met veel problemen een nieuwe relatie, Mattia trekt naar het noorden. Toch ontmoeten ze elkaar nog, vooral omdat zij denkt dat ze een oplossing gevonden heeft voor zijn trauma.

Het  is een boeiende roman omdat de twee verhaallijnen soms niet volledig uitgewerkt worden en er ook een open einde is, de auteur kan er dus ook nog een vervolg aan breien.

Het is een roman met heel veel thema’s die heel vlot leest en toch stilistisch erg verzorgd is. In een maatschappij waarin jong zijn’ super’ is of te veel geïdealiseerd wordt in reclame, t.v.-series etc. is dit een roman die aantoont dat  jong zijn niet altijd zo probleemloos is . Jongeren lezen inderdaad veel minder of soms zelfs niet meer, maar een roman van deze jonge natuurkundige zou hen wellicht nog kunnen boeien.

 

Foto: niet meegedeeld

Het favoriete boek van Jacqueline Dobbenie

Jacqueline Dobbenie staat in brand voor ‘Gloed’ van Sándor Máraí

Een van de boeken waar ik echt van genoot en dat bijblijft is “Gloed” van Sándor Máraí, meteen een schrijver het ontdekken waard.

Het is een boek over de vriendschap tussen Henrik, een generaal van rijke, adellijke afkomst en Konrád, zijn minder bedeelde vriend. Na 41 jaar kondigt Konrád zijn bezoek aan, zó lang geleden gebeurde iets verschrikkelijks, waardoor de vrienden uit elkaar werden gedreven.

Eén avond, één nacht blikken de twee oude mannen terug op hun verleden. Hun laatste gesprek is er een in meedogenloze openhartigheid over hun passie en vriendschap, waarheid en leugen, schuld en wraak.

Het geheel speelt zich af in een tijd die onherroepelijk voorbij is, in een wereld van prestige, erecodes, hiërarchie. Toen was vriendschap nog een zaak van eer.

p. 78: Voor mijn vader betekende “vriendschap” hetzelfde als eer.

Andere voorbeelden i.v.m. de visie over vriendschap: p 79-81

Het boek bevat een verhaal vol spanning en is goed geconstrueerd en uitgebalanceerd. Maar het is niet alleen een verhaal over passie, afgunst en jaloezie, angst, verdriet en intriges. Het vertelt ook over het bruisen, het relativeren en het stilaan doven van de lust om te leven, wat in de laatste hoofdstukken accuraat samengevat wordt in een monoloog.

Márai schrijft met diepgang, op een poëtische, filosofische en heldere manier over het leven. Wat voorbeelden om dit te illustreren:

  Over eigenwaarde en ijdelheid:

Nini. Ze herinnerde de bewoners van het kasteel eraan dat er ook nog iets anders in de wereld was dan egoïsme, passie en ijdelheid. (p. 9)

Er is iets dat zo’n pijn kan doen (…) als door een mens (…) het diepe gevoel van eigenwaarde in ons gekwetst wordt, dat we nodig hebben om mens te kunnen blijven. IJdelheid, zeg je. Ja, ijdelheid…en toch is deze ijdelheid de diepste essentie van het menselijk leven. (p. 139)

  Over vriendschap – haat p. 95-100

Je nam nooit geld of geschenken van me aan(...). Wie geen stukjes accepteert, wil waarschijnlijk alles, het geheel. (p. 97)

Vriendschap is een strenge menselijke wet (p. 102)

  Over de verzoeking

“Het moet een vreselijk moment zijn wanneer in een mensenleven de verzoeking komt…Het is een moment van buiten jezelf zijn, een moment in de ochtendschemer, waarin de krachten van de onderwereld nog macht hebben op aarde, over de mensenharten, waarin de nacht haar kwaadaardige zucht uitblaast”.

  Over het relativeren en uitdoven van levenslust:

“We leven niet lang meer, want je bent teruggekomen. En we wisten allebei dat we elkaar nog één keer zouden ontmoeten, en dat het dan afgelopen was.“(p. 75)

  Over eenzaamheid

“Eenzaamheid is ook nogal curieus…soms als een oerwoud, vol gevaren en verrassingen.” (p. 75)

  En nog twee laatste fragmenten:

“En het zuiverende vuur van de tijd heeft alle boosheid uit de herinneringen gezogen.”(p. 141)

“Aan het eind wordt alles zo eenvoudig – alles wat geweest is en alles wat had kunnen zijn. (…) dat alles wordt minder dan het stof dat de wind meevoert boven een kerkhof.”(p. 137)

Ik heb niet alleen van dit boek heel erg genoten maar het stemde me vooral tot nadenken.

Sándor Márai, Gloed, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 156 p.

 

Foto: Bart Madou

Het favoriete boek van Dolf Naessens

Johan Anthierens en Jef Geeraerts in een capsule

Gezien mijn aangeboren vrijpostigheid, zal ik op eigen initiatief maar de vraag naar mijn hand zetten en daarbij “het boek” vervangen door “de lectuur”. Ik ben immers geen fervent fictielezer, of toch niet meer (vroeger alle boeken van Hubert Lampo en Paul Dewispelaere gelezen). Is het misschien omwille van het met de jaren afnemend concentratievermogen maar boeken die zich lenen tot hernemen, herlezen, hetzij in hun geheel, maar ook broks- of stapsgewijs, genieten voor het ogenblik mijn voorkeur.

Een ervan ben ik de laatste tijd broksgewijs aan het verteren of beter gezegd degusteren: Ooggetuige van Johan Anthierens, en de ondertitel luidt : Niemands Meester, Niemands Knecht.   Het is een 750 blz. tellende kanjer met ongeveer 130 journalistieke teksten opgeschreven in de laatste 25 jaar van zijn leven (hij overleed in 2000) en bijeengebracht door Brigitte Raskin in samenwerking met Karel Anthierens.

Ik hou van deze heerlijk eerlijke, niets of niemand ontziende verbale scherpschutter. Hij peilde naar het wereldleed en het landzeer, speurde naar hypocrisie en huichelarij, joeg op bekrompenheid, kleingeestigheid en het groot gelijk, maar was tevens een goed schrijver met een onmiskenbare, grote liefde voor het mooie woord, de juiste treffende uitdrukking. Karel De Gucht schreef in Humo : het ideale nachtkastboek om elke avond in te grasduinen.

Het tweede boekje is een ander paar mouwen. De titel luidt: De Capsulaire beschaving met als ondertitel: over de stad in het tijdperk van de angst. De auteur is de jonge cultuurfilosoof Lieven De Cauter. Het is een diepgravend gewrocht dat het beeld schetst van onze samenleving gedomineerd door angst en afsluiting. Dit proces van “capsularisering” speelt zich af tegen de achtergrond van een dreigende demografisch-ecologische catastrofe en een militarisering van de planeet.

Ik zou mij graag beperken tot het meegeven van het volgende citaat op blz. 129.

“Wie woedend wordt, is niet angstig meer”. Ik kan alleen maar hopen dat de mensheid woedend wordt en “neen” zegt tegen de uitbuiting, de illegale oorlogen, de misdaden tegen het internationaal recht, de beperking van de vrije meningsuiting door monopolisering van de media (Murdoch, Berlusconi) tegen de inperking van de fundamentele burgerrechten (Patriot Act), tegen de ecologische catastrofe waarop we met open ogen afstevenen, tegen de wereldwijde armoede, tegen het cynisme waarmee de Nieuwe Imperiale Wereldorde het globale neokapitalisme van zijn bijhorende politieke structuur aan het voorzien is, kortom tegen de uitzonderingstoestand. We moeten opstaan tegen “het rijk van de angst”. Anders wordt de strijd tussen vrijheid en angst inderdaad lang en moeilijk.”

Ik heb dit werk(je) stapsgewijs gelezen, soms met kleine stapjes.

Als ik tenslotte toch een favoriet uit mijn fictieverleden moet opgraven, dan, jawel, Grangreen I Black Venus van onze onverwoestbare supervitalist Jef Geeraerts.

Als een goed schrijver een goed beschrijver moet zijn dan is Geeraerts m.i. een groot schrijver. Zijn beschrijvingen getuigen van een uitzonderlijke opmerkingsgave. De schrijfstijl die gehanteerd wordt, is uniek, zo goed als zonder punt of komma, een aanhoudende vulkanische lavastroom, de taal wordt opnieuw kreet schrijft hijzelf (blz. 46). Stijlfiguren mogen er ook zijn : bv. ” afgaan als een storkpomp” en nog vele andere. Zou het kunnen dat dit proza zijn gelijke niet heeft in ons taalgebied?

Wat dit boek nog meer tot mijn favoriet maakt, is het naadloos aaneensmeden van uiterste gevoelens, van wild, uitzinnig, dierlijk bespringen en genieten tot het poëtisch, intiem, diepzinnig, extatisch liefhebben.

Zoals het in één geut geschreven werd in 1967 heb ik Black Venus in 2010 nog eens, bijna in één ademstoot herlezen en het blijft mijn favoriete fictieboek. Of is het meer dan fictie?

Lieven De Cauter, De capsulaire beschaving, NAi Uitgevers, 208 p.

Jef Geeraerts, Grangreen I Black Venus, Meulenhoff/Manteau, 211 p.

Johan Anthierens, Ooggetuige, Van Halewijck, 741 p.

                                                                              Foto: André Callier

Het favoriete boek van Andrea Heus

“Het woud der verwachting Het leven van Charles van Orléans” van Hella S. Haasse

“Het woud der verwachting” van Hella S. Haasse is een van de beste historische romans die ik ooit heb gelezen.

De Nederlandse schrijfster Hella S. Haasse (°1918) beschikt over een zeer gedetailleerde kennis van de geschiedenis en de maatschappelijke toestanden in de middeleeuwen. De lezer wordt binnengeleid in de complexe periode van de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk. In 1415 wordt het hoofdpersonage, Charles van Orléans, in de slag bij Azincourt door de Engelsen gevangen genomen en in Engeland gedurende 25 jaar geïnterneerd.

Het verhaal van de hertog van Orléans ontrolt zich in chronologische volgorde. De lezer is getuige van de innerlijke groei van een aanvankelijk schuw kind dat meestal in torenkamers of de boekerij vertoeft, vervolgens al te vlug verandert in een door bitter leed snel mondig geworden jonge hertog. Terug in Frankrijk en zonder persoonlijke eerzucht, leefde hij op zijn landgoed in Blois waar hij zich omringde met dichters. Hij organiseerde er  dichtwedstrijden en speelde schaak. Hij was zelf een verdienstelijk dichter en een der weinigen uit de vijftiende eeuw (samen met François Villon die ook wel te Blois verkeerde) van wie de poëzie tot de latere generaties is blijven spreken.

Heel wat legendarische personages (ook vrouwen zoals Jeanne D’Arc, Agnes Sorel, Christine de Pisan) die in de roman optreden, zullen uw nieuwsgierigheid niet alleen prikkelen maar zonder twijfel de leeswaarde van deze geschiedenis verhogen. 

Hella S. Haasse, Het woud der verwachting (1949), Querido, 604 blz., ISBN 978-90-2143-422-3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Foto: André Callier

 

Het favoriete boek van Karin Galle

Eric de Kuyper, Aan zee: Taferelen uit de kinderjaren (118 p) SUN ISBN 90-6168281-9

Een autobiografisch boek over de jonge Eric die zijn vakantie doorbrengt in Oostende, jaren 40-50, met zijn moeder, zijn tantes, neven, nichten en grootmoeder Bontje. Eric verkent het strand en dwaalt door het grote vakantiehuis op de verschillende verdiepingen. Het waren altijd drukke dagen in het huis. In de strandcabines werd er gekaart en er waren de vakantieromances. Eric zelf voelt zich iets voor een jongen. Grootmoeder bontje houdt de hele familie in de gaten.

Het verhaal leest heel vlot, net alsof je er zelf midden in staat. De belevenissen van toen zou je best vandaag de dag opnieuw kunnen meemaken.

Ik koos dit boek omdat ik hou van de zee, van de zon, van lange zomeravonden, kortom omdat ik hou van de vakantiesfeer...

" Het zag er mooi uit, beweerde men. Maar hij wist dat het voorgoed voorbij was. En dat het nooit meer terug zou komen: de kinderjaren aan zee. "

Lees ook : de hoed van tante Jeannot: taferelen uit de kinderjaren in Brussel.

 

Het favoriete boek van Rika Van Dycke

Stefan Brijs, De engelenmaker (428 pag)  ISBN 978 90 450 05300  Atlas

Dokter Victor Hoppe, embryoloog en wetenschapper komt na een afwezigheid van twintig jaar terug naar zijn geboortedorp Wolfheim ( what’s in a name?!) in de buurt van het drielandenpunt.

Wat spookt de dokter in ‘s hemelsnaam uit naast zijn kleine huisdokterspraktijk?

Wat is er met zijn kinderen, de drieling, aan de hand, zijn ze ernstig ziek?

Of  is er met de dokter iets aan de hand, wordt hij gegijzeld door zijn verleden waardoor hij een beslissing neemt die hem onsterfelijkheid zal bezorgen?

Waarover wordt er in het dorp gefluisterd en geroddeld?

Wil Victor Hoppe de strijd aangaan met God of wil hij wraak nemen op God?

Welke verschrikkelijke gevolgen op zijn verdere leven heeft het feit dat hij door zijn vader en moeder als kind in de steek gelaten werd?

Is Victor Hoppe krankzinnig of wil hij de grenzen van de medische wetenschap aftasten, misschien wel verleggen?

En hoe zit het met de ethiek?

In deze prachtige, aangrijpende, magisch-realistische roman gaat het over het scheppen van leven, heel boeiend geschreven. Een echte pageturner.

Stilaan wordt duidelijk dat het verleden, in dit geval een jeugdtrauma, je eeuwig blijft achtervolgen. Ook goed en kwaad spelen een enorme rol in de roman.

De symboliek versterkt eveneens het mysterieuze.

Dit zijn dus allemaal redenen waarom dit één van mijn favoriete boeken geworden is. Maar het heeft mij vooral getroffen dat iemands leven volledig bepaald wordt door wat anderen over hem denken (innerlijk)  of hoe ze hem zien (uiterlijk).

Fragment:

          “Rafaël,” herhaalde ze.

         Ze vond het een mooie naam, maar de combinatie met de andere twee namen was natuurlijk opmerkelijk. Het was een origineel maar ook wel bizar idee om de drie kinderen naar de aartsengelen te vernoemen en ze vroeg zich af wie die keuze gemaakt zou hebben. De vader of de moeder? Of nog iemand anders?

 

 

Foto: Bart Madou

 

Het bij-blijfboek van Rika Desloovere

“Wat is één van de heerlijkste momenten van iemand die graag leest?

Dat is de ontdekking van een boek dat een regelrechte opwinding, een snelle polsslag veroorzaakt en waarvan je jaren na datum de leeservaring kunt oproepen.”

Ik wil het hebben over het verhaal dat me het beste bijbleef, het langst rondspookte in mijn hoofd, dat later plots weer associaties opriep.

Een verhaal om te zoenen omdat je zo ”content” bent een auteur ontdekt te hebben die verwant is, of juist de dingen in een totaal ander kader plaatst.

Een story die je wakker houdt, niet seffens loslaat, waarover je geneigd bent te vertellen.

Een verhaal geschreven in een heel jonge taal met een vinnige zinsbouw die jonge mensen graag gebruiken.

Wel, dat boek dat me een tijd geleden het meest bekoorde is: “Extreem LUID en ongelooflijk DICHTBIJ” van Jonathan Safran Foer

Ik heb het boek wat laat na “nine eleven’, de aanslag op het WTC in New York, ontdekt. Dit was juist goed. De heisa verbleekte stilaan. Ik kon al kijken van op een afstand.

Na enkele pagina’s dacht ik, ik moet opnieuw beginnen, ik lees te vlug, te gehaast.

Maar ’t was “verdikke” juist andersom. Ik kon het tempo van het boek niet bijhouden. Het is geschreven in een prachtige, nerveuze taal!

Het verhaal samenvatten ga ik niet doen. Hier volgt wel een opsomming.

  • Oscar, een jongetje van negen jaar dat veertien wil zijn heeft zijn vader verloren bij de aanslagen op het WTC in New York.
  • Koortsachtig is hij op zoek naar het slot van een geheimzinnige sleutel. Dat slot is eigenlijk een zoektocht naar de geschiedenis van zijn vader.
  • Die tocht gaat zelfs door de geschiedenis en verschillende verhalenlijnen lopen door elkaar.
  • De schrijver schept een prachtige nerveuze sfeer.
  • Oscar gaat door het leven als een wervelwind. Hij is pas negen maar hij is al uitvinder, sieradenontwerper, archeoloog van het Central park… Hij probeert zich overeind te houden en wanhopig het verlies van zijn vader en de hele catastrofe te vatten.
  • Je vraagt je af, hoe eindigt dit verhaal? Het eindigt niet! Oscar moet verder, hij moet groot worden…
  • Door dit verhaal legt Jonathan Foer de schoonheid van menselijke relaties bloot.

Ik kijk vol ongeduld uit naar een verhaal dat mij evenzeer zal ontroeren.

Foto: Bart Madou

 

Carine Vankeirsbilck en I.M van Connie Palmen

Je lievelingsboek? Was dat even een moeilijke vraag zeg. Als je heel graag leest, en altijd een boek aan het lezen bent, is dat niet zo eenvoudig te beantwoorden.

Mijn lievelingsboek? Of mijn lievelingsauteur beter gezegd? Vroeger was dat Isabel Allende. Ik las dan een boek van haar, en daarna kocht ik het. Zo prijken er enkele op mijn boekenplank. Hetzelfde kan gezegd van Milan Kundera, dat vond ik ook zo’n toffe schrijver.

Maar het boek dat ik al meermaals herlezen heb is I.M. van Connie Palmen. I.M., de titel alleen al, zo dubbelzinnig.

Ik vond het echt een ongelooflijk verhaal, het liefdesverhaal van rijpere mensen. Die lieten er geen gras over groeien, maar ook het pijnlijke voor haar, om los van hem weer verder te moeten leven greep mij erg aan.

I.M. leest overigens zeer vlot, het boeit, je wil het in één ruk uitlezen. En dat is zalig: op een zonnige zondag, een hele dag lang luilekker in de veranda liggen lezen in een chaise longue. Meer moet dat niet zijn.

Na het lezen van het boek heb ik Connie Palmen ontmoet tijdens een lezing op de boekenbeurs in Antwerpen. Een sterke vrouw, die ondanks al haar zorgen, het toch nog kan opbrengen om verder te schrijven.

 

“Langzaam wordt dat heel akelige gevoel zwakker, die permanent niet-aflatende schrik die zich zo in mij lichaam, in mijn ingewanden, in mijn hart en in mijn hoofd nestelde alsof hij nooit meer zou verdwijnen. Ik word minder bang en ik krijg weer huid. Het nieuwe is er af. Ik begin me te verzoenen met het idee dat ik een groot verdriet heb, dat ik houd van een afwezige en daarmee leef. Ik ontspan mijn kaken. Ik heb mijn tanden stukgebeten op dit verdriet en ik verlang naar herstel. De verbaasde tandarts laat het me met een kleine handspiegel zien, hoe ik drie kiezen overdwars kapot geknarst heb. ‘Je hebt je kiezen vierentwintig uur per dag op elkaar gezet’ zegt hij.”

(Connie Palmen, I.M., p. 311)

 

foto: André Callier  

 

Het favoriete boek van Marie-Claire Devos

Aangezien ik mij niet kan beperken tot één boek zal ik het dan maar hebben over een schrijver die mij fascineert.  De Braziliaanse schrijver Paulo Coelho woont afwisselend in Rio de Janeiro en Tarbes in de Pyreneeën.  De bergen zijn dan ook een constant thema in zijn verhalen evenals de zoektocht van de mens naar harmonie en vrede in de wereld.  Ben je ook iemand die behoefte heeft aan zingeving en de confrontatie met het leven en de dood buiten je eigen wereldje wil ervaren, dan lees je het werk van deze hippie uit de jaren 70.  Hij is een meester in het beschrijven van niet-gedefinieerde religiositeit en zijn zoektocht naar drijfveren tussen goed en kwaad, o.a. terug te vinden in   “De Pelgrimstocht naar Santiago” een werk dat in 1987 verscheen.  Het is echter de “Alchimist” die in ’88 voor de grote doorbraak zorgde.

Hij verdiept zich in de eenzaamheid, frustratie en verbittering die achter een façade van geluk schuilgaat.  Aangrijpend is het hoe hij paniek, depressie, mystieke visioenen, psychoses beschrijft en er in slaagt ons in het domein van het waanzinnige en genot in te leiden, en dit tot aan de grensgebieden van de menselijk geest.  Hij beschrijft als geen ander wat er omgaat in de ziel van de mens.  Hij durft het aan het “gewone” en het “ongewone” te beschrijven, zonder dat je de indruk krijgt dat zijn beoordeling niet gangbaar is. Wel neemt hij stelling tegen het onverschillige.  In zijn trilogie “Aan de oever van de Piedra huilde ik”(1), “Veronika besluit te sterven”(2),  en “Het meisje en de duivel”(3),  zet hij personages neer, die vastgelopen zijn in de chaos van hun fantasie en afwijkend of anarchistisch gedrag; een persoonsgebonden seksueel profiel tegenover een puberaal visionair paradijs.  Het personage legt uiteindelijk de grenzen van zijn eigen krankzinnige gevangenis vast of probeert via een louterend proces hieraan te ontsnappen.  De drie romans beschrijven telkens 7 dagen uit het leven van het hoofdpersonage.

(1), 7 dagen in het leven van een vrouw die verliefd is op een man die in een andere wereld leeft.  Dingen die voor iedereen hetzelfde zijn, op zich weinig of niet veranderen, zoals de liefde bijvoorbeeld, of is het wanhoop?

(2), 7 dagen waarin Veronika strijd levert met haar daadwerkelijke verlangens in het aangezicht van de dood.  Doodsdrift en hang naar leven: een hopeloze strijd?  Een roman over het besef van de wanhoopsdaad die uiteindelijk de aanzet wordt tot intenser leven.

(3), 7 dagen waarin de integriteit van de dorpsbewoners zwaar op de proef wordt gesteld, waarin een antwoord wordt gezocht op de vraag of de mens fundamenteel goed of slecht is?  Een thema dat sedert 9/11 aan de orde van de dag is.

Telkens weer raakt hij de wereld midden in het hart met de zoektocht naar de waarden.  Het immobilisme van de mens, op het ogenblik dat het individu de afgrond overschrijdt die hem van zijn dromen scheidt, houdt je in de ban van zijn boeken: als je niet meer voor- of achteruit komt, wat doe je dan?  Wel dan lees je Paulo Coehlo. 

Hij beschrijft als geen ander hoe het individu en de samenleving reageren als het leven je plots op de proef stelt.  In hoeverre ben jij bereid te veranderen na een confrontatie met de liefde, dood en macht.  Hoe moedig ben je dan nog ten overstaan van de uitdaging waar je oog in oog mee staat?

Eén ding is zeker , een roman van Coehlo spookt door je hoofd en spreekt je geweten aan.

Hij schrijft ook nog lyrische teksten voor liedjes.

Voor zijn poging een alternatieve maatschappij te creëren werd hij in gevangenschap gemarteld door de Braziliaanse militairen.  Intussen draagt hij de vrede uit met zijn boeken (een oplage van maar eventjes 150 miljoen) vertaald in 66 talen en verspreid over 150 landen.  Hij speelt tevens een belangrijke rol in de Unesco als adviseur voor “Intercultural Dialogues and Spiritual Convergences”.

 

foto: Rika Van Dycke 

 

 

Het favoriete boek van Roland Ranson

Eén favoriet boek? Onmogelijk! Net als die lijst met dé 10 klassiekers aller tijden, waartoe ik mij ooit (31 december 2006) door onze voorzitter heb laten verleiden! Onzin!

Maar toch, leuke onzin, onzin die je ertoe brengt te gaan relativeren.

Dus toch maar kiezen en je dan maar tegendraads gaan gedragen en als Germanist kiezen voor het Verre Oosten. Nog eens duidelijk laten merken wat voor onzin het wel niet is!

Haruki Murakami, Kafka op het strand, is het dan geworden; een turf van 639 pagina’s, in één ruk uitgelezen; nou ja, zo’n goeie drie dagen heeft het FEEST geduurd.

Waarom feest?

Omwille van de hoofdpersoon, de 15 jarige Kafka Tamura, een wat schizoïde puber die ook wel eens afsplitst in “de jongen die Kraai (in het Tsjechisch Kafka) wordt genoemd” en die van huis wegloopt.

Omwille van de Oedipusmythe.

Omwille van de met zoveel sympathie en liefde getekende  personages, de androgyne Oshima, de simpele Nakata, de liefdevolle uitslover Hoshino, de breekbare mevrouw Saeki…

Omwille van die Japanse / Oosterse mysterieuze sfeer en de aan Freud gerelateerde verkenningstocht naar het ZELF, doorheen het eigen onderbewuste. Het resultaat is niets minder dan magisch vuurwerk.

Omwille van het feit dat je vanaf de eerste bladzijde het boek wordt binnengetrokken en je niet rust vooraleer je de laatste pagina hebt omgeslagen.

Omwille van de grote vrijmoedigheid in sexualibus, wat je niet onmiddellijk zou verwachten bij een volk dat eerder naar het ascetische lijkt te neigen.

Omwille van het feit dat het helemaal NIETS met Kafka te maken heeft; bij nader inzien omdat het eigenlijk ALLES met Kafka te maken heeft. Herlees maar eens zijn verzameld werk!

Omwille van het surrealisme.

Omdat het voortdurend een nauwelijks te beantwoorden perpetuum mobile van vragen opwerpt.

Omwille van het feit dat het overloopt van “Cultuur”, ook westerse literatuur en muziek.

Omwille van het feit dat een bibliotheek in het middelpunt van het verhaal staat.

Omdat – tenslotte – het boek zowel tragisch als komisch is, zowel om over na te denken als om bij te wanhopen, zowel om bij te speculeren als om bij weg te dromen en vooral, o paradox, omdat het toch zo hoopvol is.

Een smaakmaker:

En daarom luister ik naar Schubert als ik autorijd. Zoals ik daarnet al zei, zijn bijna alle vertolkingen op de een of andere manier niet perfect, onvolmaakt. Maar een goede onvolmaaktheid – een onvolmaaktheid barstensvol goede dingen – stimuleert het denken en scherpt de aandacht. Als ik achter het stuur moet luisteren naar een perfecte uitvoering van een perfect stuk muziek, ben ik bang dat ik zin krijg om mijn ogen te sluiten en me te pletter te rijden. Maar als ik de sonate in D-groot aan heb staan, weet ik dat ik luister naar de grens van het menselijk kunnen. Dan besef ik dat er een volmaaktheid bestaat die slechts kan worden uitgedrukt door een eindeloze opeenstapeling van onvolmaaktheden. En persoonlijk vind ik dat eerder bemoedigend.

H. MURAKAMI, Kafka op het strand Atlas – Amsterdam / Antwerpen

 

foto: André Callier

 

Het favoriete boek van Els Durnez

Eén van mijn lievelingsboeken op dit moment is geschreven door de jonge Duitser Daniel Kehlmann en het is erg amusant. Vorige zomer las ik het op vakantie: met een grote glimlach. Ik liet uiteraard mijn vakantiehuisgenoten ook meegenieten door af en toe wat voor te lezen, zodat er, zodra mijn boek uit was een ruzie ontstond over wie het als volgende mocht lezen.

Nochtans is het een heel wetenschappelijk gegeven: Daniel Kehlman vervlecht in zijn roman “Het meten van de wereld” de levens van twee genieën die in het pantheon van de wetenschappen thuishoren:  de wiskundige Carl Friedrich Gauss,  en ontdekkingsreiziger Alexander Von Humboldt. Wetenschap is voor Von Humboldt reizen (en tijdens die reizen verzamelen en meten), voor Gauss is een wetenschapper iemand die met pen en papier aan de schrijftafel zit.  Zo meten beiden de wereld. Von Humboldt is er rotsvast van overtuigd dat de wereld daarop steunt. Gauss vreest echter te zullen ontdekken dat alle orde schijn of toeval is.

Projecten, brieste Gauss. Gepraat, plannen, intriges. Zinloos gepraat met tien vorsten en honderd academies tot je ergens een barometer mocht plaatsen. Dat was geen wetenschap.
Ach, riep Humboldt, wat was wetenschap dan wel? Gauss trok aan zijn pijp. Een man alleen aan zijn schrijftafel. Een vel papier voor zich, eventueel een verrekijker, voor het raam de heldere hemel. Wanneer zo’n man niet opgaf voordat hij het begreep. Dat was wetenschap. En wanneer die man reizen ondernam? Gauss haalde zijn schouders op. Wat in de verte verborgen lag, in gaten of mijnen, was toeval en onbelangrijk. De wereld werd er op die manier niet duidelijker door.

D. Kehlman, Het meten van de wereld. Amsterdam, Querido, 2007. 289 p. - vert. van Die Vermessung der Welt

 

foto: André Callier

 

Het favoriete boek van Bart Madou

Een lievelingsboek, dat is zoals met spijzen. Vandaag heb je zin in lasagne, morgen in spinazie enz. Maar toch er zijn een aantal constanten. Niertjes? Nee, bedankt (sorry, Mr. James Joyce). Spruitjes? Laat maar komen. Of muziek. Al naargelang de stemming kies je voor Ein Deutsches Requiem of L’Estro armonico, maar zowel dit Requiem van Brahms of de concerti van Vivaldi blijven steeds terugkomen. Zo ook met boeken. Toon mij je beduimelde exemplaren en ik zal zeggen wat je (graag) leest. Maar je beperken tot één (zegge en schrijve : één) boek? Onmogelijk, en toch moet en wil ik een keuze maken. Een jeugdvriend dan maar, een boek waarmee zo niet alles dan toch heel veel begonnen is: Brieven aan Milena van Franz Kafka. Eigenlijk geen fictie, maar echte brieven, eenrichtingsbrieven want de antwoorden van Milena zijn verloren gegaan. Deze brieven kregen mij als zestienjarige zo in hun ban, dat ik van dan af werkelijk alles van Kafka gelezen heb (niet alles óver Kafka, want daar zijn straten van bibliotheken mee gevuld), en toegegeven het oeuvre van Kafka is niet zo uitgebreid als Balzac of Zola, het viel dus best wel mee. Maar niet alleen Franz Kafka intrigeerde me, ook de figuur van Milena Jesenska intrigeerde mij danig. Van de weduwe van Martin Buber is er later een biografie verschenen over Milena, waarbij haar laatste dagen in Auschwitz beschreven staan. Een werkelijk zeer waardige en moedige vrouw die haar hoofd steeds rechtop gehouden heeft. Kafka zelf is nooit in een vernietigingskamp geraakt, de TBC had hem al jaren voordien geveld. Zijn brieven aan Milena, meer nog dan deze aan Felice Bauer, zijn een ongelofelijk doordringend en diepmenselijk ego-document waarin de typisch Kafkaïaanse ironie al fijntjes tussen de regels te vinden is.

Lieve mevrouw Milena, (ja de aanhef wordt moeilijk, maar het is een van die houvasten in de onzekere wereld, waardoor zieken zich staande kunnen houden en het is nog geen bewijs van gezond worden, als het houvast moeilijk wordt) ik heb nooit onder Duitsers geleefd, Duits is mijn moedertaal en daarom natuurlijk voor mij, maar het Tsjechisch ligt mij veel beter, daarom ruimt uw brief vele onzekerheden uit de weg, ik zie nu duidelijker de bewegingen van het lichaam, der handen, zo snel, zo beslist, het is bijna een ontmoeting, in ieder geval, als ik dan de ogen tot uw gezicht wil opheffen, breekt er in de rest van de brief – wat een gekheid! – brand uit en zie ik niets dan vuur.

 

 

© Copyright 2008-2010 ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN   hetbeleefdegenot.be

Contact: hetbeleefdegenot@scarlet.be - tel. 0498/73.58.73

Laatst bewerkt: 14 november 2011