De moord op de kunst
Fragment van de beschilderde grotwanden van de Grotten van Lascaut

Lezing

De moord op de kunst

Een uitdaging voor de denker

De geschiedenis van de kunstfilosofie is een ware thriller, stelt Thomas Crombez, en dat heeft hij duidelijk gemaakt in twee boekwerken over het onderwerp: De moord op de kunst en Wat na de moord op de kunst? (met één boek had hij blijkbaar niet genoeg).

Wie dit aan den lijve wil ondervinden, komt op 5 maart best naar de lezing over dit onderwerp – of een gedeelte van dit onderwerp – in het Veltershof. Het wordt beslist geen saaie theoretische uiteenzetting, maar wij komen heel wat wetenswaardigheden en inzichten te weten over hoe filosofen en kunstenaars vroeger en nu, in het Westen en het Oosten, dachten over kunst, waarbij zowat alle kunsten aan bod komen.

‘Wie het nut met plezier verbindt, wint ieders stem, want hij vermaakt en vermaant het lezersvolk’. Dat beweerde Horatius al, en van Schiller kennen wij de uitspraak: ‘Het theater – en bij uitbreiding de hele kunst zou ik eraan toevoegen - maakt de toeschouwer meer mens.’

Verslag

Thomas Crombez 2500 jaar kunstfilosofie in anderhalf uur behandelen is natuurlijk waanzin. Thomas Crombez beperkte zich daarom tot enkele bedenkingen over de rol van Plato – ook om die wat verdachte titel De moord op de kunst te verklaren en de visie van twee kopstukken uit de negentiende eeuw: Karl Marx en John Ruskin. Tussendoor maakte hij ook een uitstapje naar figuren als Hannah Arendt en Alain Badiou om iets over de taak van de filosofie in het algemeen te verduidelijken.

Van Plato weten we dat hij de kunstenaars niet al te goed gezind was, hij verzocht hen in zijn dialogen om de ideale stad te verlaten, waren zij iet allemaal nabootsers en dus mensen die in de schaduw van de grot leefden? Kunst was volgens Plato teveel gebaseerd op de halfslachtige verhalen uit de mythologie en volksreligie was iets waar Plato zijn neus voor optrok. Als voorbeeld kwam Thomas met het verhaal van Ajax en de slachting van de kudde schapen. Maar aan dit negatieve oordeel kleefde ook een positief aspect: kunstenaars (en filosofen) reikten ook nieuwe concepten aan of vulden oude opnieuw in. Zij dachten dus -kunst als zodanig en dat was een goede zaak. Badiou was het zeker met dit laatste een, volgens hem heeft de filosofie de kunst ‘verfilosofeerd’.

De filosofie reikt ons inderdaad nieuwe concepten aan om de wereld beter te begrijpen, daarvoor is filosofie trouwens bedoeld. Als voorbeeld van zo’n (ver)nieuw(d) concept haalde Thomas Crombez het bekende ‘de banaliteit van het kwaad’ van Hannah Arendt aan. Op zijn proces in Jeruzalem bleek het ‘monster’ Eichmann een onbeduidend burgermannetje te zijn.

Naar de 19de eeuw dan. Om te beginnen de kunstcriticus John Ruskin. Hij kaartte de ambivalentie tussen industrialisering en ambacht aan. Ruskin prees de charme van het ambachtelijke, hij bezat een culturele aversie tegenover al wat met industrie te maken had. Thomas las met ons een korte passage uit The Stones of Venice voor. Over de ambachtsman die de perfectie van het kopiëren verlaten heeft, zegt hij: ‘But you have made a man of him for all that. He was only a machine before, an animated tool.’ Een robot zouden wij vandaag zeggen.

Marx legde dan weer de klemtoon op de vervreemding van de arbeider die, in tegenstelling tot de schoenmaker, de smid, … geen overzicht meer heeft van het hele productieproces. De onvoorspelbaarheid van zijn (kunst)werk wordt ingeruild voor voorspelbaarheid, wat economisch gezien voor een hogere efficiëntie (en uitbuiting) zorgt.


Deze pagina werd laatst bijgewerkt op 24/01/2024 13:47:06.